Schittert jouw verhaal straks in het virtueel museum?
Schittert jouw verhaal straks in het virtueel museum?
Op 12 maart 2024 lanceerden we FAAM, het virtuele museum van Vlaanderen, met verhalen die voortbouwden op voorstellen van vele erfgoedcollega's. Wil je jouw cultureel erfgoed laten schitteren in het museum? Bezorg ons dan jouw voorstel via het formulier hieronder.
Deze verhalen werden reeds ingediend
Stucwerkplafonds van Jan Christiaen Hansche
In de Abdij van Park in Leuven vind je drie uitzonderlijke stucwerkplafonds van Jan Christiaen Hansche. In de tweede helft van de 17de eeuw liet abt Libert de Pape de plafonds van de refter, de bibliotheek en de ontvangstruimte rijkelijk versieren. De figuren komen letterlijk los van het plafond. Hanscha had als geen ander de driedimensionaliteit in de vingers waardoor zijn figuren als volleerde ruimtevaarders tegen het plafond lijken te hangen. De plafonds zijn van zo'n technisch vernuft dat het de meester-kalksnijder Jan Christiaen Hansche naam en faam verleenden in Vlaanderen en Brussel.
De bloeitijd van het humanisme in Leuven
Tijdens de 16e eeuw beleefde de Leuvense universiteit haar gouden eeuw. Vernieuwende denkers zoals Desiderius Erasmus en Juan Luis Vives verbleven hier en gaven er soms les. De eerste druk van het spraakmakende boek Utopia van Thomas More verscheen in Leuven in 1516 bij Dirk Martens. In 1517 was Erasmus de drijvende kracht achter de stichting van het baanbrekende Collegium Trilingue, waar studenten les kregen in de drie gewijde talen, Latijn, Grieks en Hebreeuws, via de rechtstreekse studie van de Bijbel en de klassieken. De pedagogische aanpak drukte zijn stempel op de ‘humaniora’, het secundair onderwijs zoals dit in onze streken ontwikkeld werd. Het college kende beroemde docenten zoals Justus Lipsius. Verscheidene studenten ontpopten zich nadien als vernieuwers in andere domeinen: Gemma Frisius in de wiskunde, Vesalius in de geneeskunde, Mercator in de cartografie, Andreas Masius in de tekstkritiek en de studie van de Bijbel, enzovoort. Ook afgestudeerden uit die periode bleven met elkaar in contact, zoals blijkt uit de correspondentie van Frans Cranevelt (1485-1564), die erkend is als topstuk door de Vlaamse Gemeenschap.
De 'tijdelijke' tombe van Robrecht van Béthune in de Sint-Maartenskathedraal in Ieper
We schrijven begin 14de eeuw. Graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre en zijn zoon Robrecht van Béthune verzetten zich hevig tegen de annexatieplannen van de Franse koning Filips IV de Schone. De Franse vorst zet hen daarom gevangen. Na de dood van vader wordt Robrecht vrijgelaten. De Fransen dwingen hem wel om het nadelige Verdrag van Athis-sur-Orge (1305) te ondertekenen. Het graafschap Vlaanderen moet enorme herstelbetalingen doen aan de Franse koning. Na zijn vrijlating in 1305 verblijft Robrecht van Béthune regelmatig in zijn residentie aan het Zaalhof in Ieper. Hij houdt diplomatiek en militair lange tijd stand tegen de Franse koning. Mede onder druk van zijn kleinzoon Lodewijk II van Nevers geeft de bejaarde graaf Robrecht de strijd op. In april 1320 brengt hij in Parijs leenhulde aan de Franse koning. Robrecht van Béthune overlijdt in zijn grafelijke residentie op het Zaalhof in Ieper op 17 september 1322. Hij krijgt een graf in de kapittelkerk van Sint-Maarten in Ieper.
Geuzenhoek Korsele
Het museum in Korsele (wijk in Horebeke) vertelt de geschiedenis van het protestantisme.
Die geschiedensi was tot 1585 inheems, m.a.w. het protestantisme kende tot aan de scheiding van de zuidelijke en de noordelijke Nederlanden vooral veel aanhang in de steden (Gent, Antwerpen) en op het platteland van de zuidelijke Nederlanden. Dat bijzonder interessant verhaal belichten we in het museum. Vlakbij het museum ligt een bucolisch, protestants kerkhof (met een unieke treurbeuk) en bevindt zich een protestantse kerk.
Oudenaardse wandtapijten als relatiegeschenk in de Spaanse Nederlanden.
Het wandtapijt ‘Alexander voor de hogepriester Iaddo’, afkomstig uit de reeks wandtapijten met scenes uit het leven van Alexander de Grote. De reeks Alexander-wandtapijten bevindt zich momenteel in de collectie van het MOU – Museum Oudenaarde, en bestaat uit vier verschillende werken: ‘Alexander voor de hogepriester Iaddo’, ‘Alexander wordt een kroon aangeboden’, ‘Alexander op het slagveld’ en ‘Het legerkamp bij de rivier Granikos’, allen te dateren tussen 1580-1590 , binnen de Spaanse Nederlanden. Het MOU is wat betreft de collectie wandtapijten uniek in Vlaanderen: geen enkel ander Vlaams museum biedt een representatief overzicht van Oudenaardse wandtapijten. Tegelijkertijd is deze collectie ook representatief voor de Vlaamse tapijtweefkunst en haar verschillende genres. Oudenaarde wandtapijten werden niet alleen geproduceerd als exportproduct van de hoogste klasse, maar ook als het relatiegeschenk bij uitstek.
Het Prinsenkasteel in Grimbergen
Het Prinsenkasteel in Grimbergen is een kasteelruïne die deel uitmaakt van de afdeling Guldendal van het MOT. In 2024 starten er met de steun van Vlaanderen dringende instandhoudingswerken. Enkel de donjon is nog vrij intact bewaard en biedt plaats aan de tentoonstelling Steigers en steen. Bouwen aan het Prinsenkasteel. De andere vleugels van de eens zo imposante waterburcht zijn na de brand, aangestoken bij het vertrek van de Duitse bezetters in september 1944, vervallen en uiteindelijk ingestort. Het MOT is een museum rond technieken met natuurlijke aandrijving: wind, water en spieren. Het hoofdgebouw is het Guldendal, de voormalige paardenstallen van het Prinsenkasteel. Hier is er een tentoonstelling rond de houtbewerking. Buiten is er een smidse waar smeeddemonstraties plaatsvinden en een hoefstal waar zware trekpaarden worden beslaan. Op het nabijgelegen kasteeleiland heeft het MOT grote plannen om in en rond de donjon te werken rond historische bouwtechnieken.
Het Gentse Pierke
Over heel Vlaanderen creëren poppenspelers in kleine theaters een fantasierijke wereld vol verwondering of hilariteit. Bekend zijn de Neus, de Schele, de Bult uit de Antwerpse Poesjenellen. Of stangpoppentheater Toone in Brussel. Er zijn ook heel wat minder bekende theaters, die daarom niet minder magisch zijn. De meest levendige poppenspeltraditie vind je wellicht in Gent. De figuur van Pierke speelt al meer dan honderd jaar de hoofdrol in het Gentse poppenspel. Eerder brengt hij als klein rolletje al luchtige intermezzo’s in meer serieuze stukken. Het rebelse, maar goedhartige Pierke spreekt tot de verbeelding van jong en oud, zowel vroeger als vandaag. Hij heeft lak aan regels en gaat de strijd aan met slechteriken. Hij verbindt verschillende generaties in hun gezamenlijke herinneringen aan het Pierkespel. De spelers blijven trouw aan een lange traditie maar evolueren tegelijkertijd mee met hun tijd. Het is een mooi voorbeeld van hoe dynamisch immaterieel erfgoed kan zijn.
Belgische Kunst: Een Verhaal van Connecties en Collecties
Het publiek moet zeker de thematische en historische diversiteit van de Belgische moderne en hedendaagse kunst zien, met bijzondere aandacht voor hoe deze kunstenaars op een hoog beeldend niveau met elkaar en met de wereld in dialoog gingen. Belangrijk hierbij zijn de figuren zoals James Ensor, Léon Spilliaert, Constant Permeke, en moderne kunstenaars zoals Raoul De Keyser en Marcel Broodthaers.
Praalgraf van Anselm Adornes en Margareta van der Banck in de Jeruzalemkapel te Brugge
Het praalgraf van Anselm Adornes en zijn vrouw Margareta van der Banck in de Jeruzalemkapel te Brugge. Een loodzware tombe gemaakt uit Doornikse steen aan de hand van beeldhouwer Cornelis Tielman.
De Lakenhallen van Ieper, meervoudig icoon
De heropgebouwde Lakenhallen van Ieper zijn een belangrijk symbool van oorlogsleed en van wederopstanding. Het In Flanders Fields Museum en het Yper Museum zijn er in onder gebracht.
Bernard Campmans, 40ste abt van de Duinenabdij (1623-1642): meesterlijk strateeg
Het Abdijmuseum verwierf recent meerdere stukken die verwijzen naar abt Bernard Campmans, een van de grootste strategen van de Duinenabdij. - Hij slaagde kort na zijn verkiezing erin om het vermeende lichaam van Abt Idesbald temidden de ruïne op te graven. Hij legde zo de basis voor de nog altijd bestaande devotie rond de Z. Idesbald. Het bezoek van aartshertogin Isabella gaf de prille verering de nodige boost. - Als gewezen rentmeester van Kloosterzande (NL) saneerde hij de abdijfinanciën en bracht hij de gemeenschap naar Brugge. - Hij verwierf van de bisschop van Brugge de vroegere dochterstichting Ter Doest. Hij liet op haar domein in Brugge de nieuwe abdij bouwen; nu het Grootseminarie. - Hij stimuleerde het culturele leven door de herinrichting van de bibliotheek, liet monniken studeren aan universiteiten en bestelde kunstwerken bij gerenommeerde kunstenaars uit die tijd.
De Mechelse catechismus. Geloofsonderricht voor het volk.
De Mechelse catechismus is een in de kerkprovincie Mechelen officieel door de bisschoppen uitgevaardigde samenvatting van de kerkelijke leer. Sinds de oprichting van het bisdom en de kerkprovincie Mechelen in 1559 werden er vier 'Mechelse' catechismussen uitgevaardigd. We willen de aandacht vestigen op de tweede Mechelse catechismus, getiteld "Catechismus oft Christelijcke leeringhe ghedeylt in vyf deelen ende een en veertigh lessen voor de catholycke Jonkheydt van het Aartschbisdom ende alle andere Bisdommen der Provincie van Mechelen". De eerste uitgave verscheen te Antwerpen bij Jan van Keerbergen in 1623. In KU Leuven Bibliotheken Maurits Sabbebibliotheek bevindt zich een exemplaar van deze eerste editie uit de collectie van de voormalige Oude Bibliotheek van het Grootseminarie Mechelen. Het exemplaar behoorde toe aan Jan Malderus, bisschop van Antwerpen van 1611 tot 1633, en bevat ook een aantekening van zijn hand. Jan Malderus heeft samen met de jezuïet Willem de Pretere, zijn biechtvader en eerste catechist, een groot aandeel gehad in de redactie van deze catechismus. De catechismus van 1623 kende veel herdrukken en bleef meer dan twee eeuwen lang (tot 1842) de eenheidscatechismus van de Mechelse kerkprovincie. Het is één van de meest invloedrijke boeken van het vroegmoderne Vlaanderen.
De Stamschijf uit het kasteelpark van Elverdinge
Het landschap als laatste getuige van de oorlog
De middeleeuwse stad Ieper op kaart
De Vlaamse steden behoren in de middeleeuwen tot de grootste van Europa. Ieper telt op een bepaalt moment maar liefst 40.000 inwoners, dat is meer dan vandaag. Bovendien zijn de steden rijk. Voor Ieper is deze rijkdom te danken aan de bloeiende lakenindustrie. De rijkdom zie je mooi weerspiegelt op het oudste stadsplattegrond van Ieper. Google Maps avant la lettre. Recente archeologische opgravingen bevestigden bovendien enkele details op de kaart.
Emile Wambach (Aarlen, 1854 - Antwerpen, 1924): oorlogscomponist en gecontesteerd conservatoriumdirecteur
De oprichting in 1867 van de Vlaamsche Muziekschool met de jonge componist-dirigent Peter Benoit (1834-1901) aan het hoofd, is van grote betekenis voor de Vlaamse cultuurgeschiedenis. De school - vanaf 1897 Koninklijk Vlaams Conservatorium - was de eerste instelling waar jongens en meisjes in het Nederlands een hogere opleiding muziek en toneel konden volgen. Sindsdien zijn er vele generaties musici, componisten, acteurs, woordkunstenaars en later ook dansers afgestudeerd, die het Vlaamse cultuurleven kleur(d)en. Uit het Antwerps Conservatorium ontstonden ook het kunstencentrum deSingel en de instrumentencollectie van het Museum Vleeshuis. In 1867 aanvaardde Peter Benoit het directeurschap van de Antwerpse Ecole de Musique op voorwaarde dat hij deze school onder de naam Vlaamsche Muziekschool van Antwerpen kon inschakelen in de Vlaamse muziekbeweging. Benoits visie op muziek, zijnde de inschakeling ervan in de V.B., lokte heel wat tegenstand uit. Ook het belang dat hij hechtte aan de nationaal-culturele aspecten van de opleiding, contrasteerde sterk met de uitsluitend technisch-muzicale accenten in de opleiding aan de traditionele conservatoria. Vandaar dat de school pas door het Koninklijk Besluit van 28 juni 1898 erkend werd als 'Koninklijk'. Meteen werd het Koninklijk Vlaams Conservatorium de eerste Belgische instelling van hoger onderwijs waar het Nederlands de officiële voertaal was. Het mocht dan ook het predikaat 'Vlaams' als een voorrecht in zijn naam bewaren. Geïnspireerd door Duitse voorbeelden ontwierp Benoit als eerste directeur een eigen Algemeen Leerplan dat hij in 1900 publiceerde, maar dat nooit volledig toegepast werd. Het voorzag onder meer in drie afdelingen: een voorbereidende afdeling, een conservatoriumafdeling en een hogeschool. Onder de opvolgers van Benoit als directeurs, namelijk Jan Blockx (1901-1912), Emiel Wambach (1912-1924), Lodewijk Mortelmans (1924-1933), Flor Alpaerts (1933-1941), Jef van Hoof (1942-1944), Lodewijk de Vocht (1944-1952), Flor Peeters (1952-1968), Eugène Traey (1968-1980), Kamiel Cooremans (1980-1991) en Michaël Scheck (1991-1995) bleef het Koninklijk Vlaams Conservatorium steeds een van de belangrijkste centra van de Vlaamse muziek. Toch had het vaak met tegenwerking af te rekenen. Zo werden eerst in 1922 de bezoldigingen van de leraars gelijkgesteld met die van de andere koninklijke conservatoria. Ook zou het tot in 1968 duren eer het gebouw aan de Sint-Jacobsmarkt dat in 1886 als 'voorlopig' onderkomen aan de school was toegewezen, kon geruild worden voor het nieuwe gebouwencomplex dat onder de benaming de Singel aan de voormalige Wezenberg werd opgetrokken. De bibliotheek waarvan de grondslag in 1874 werd gelegd, mede door schenkingen en legaten, is uitgegroeid tot een der belangrijkste in het land; zij bevat onder andere meer dan tienduizend handschriften van Belgische en vooral Vlaamse componisten. De concertvereniging van het Koninklijk Vlaams Conservatorium die in feite teruggaat tot 1881 maar die, na heel wat hoogten en laagten, werd heropgestart in 1935, schenkt geregeld aandacht aan het werk van Vlaamse toondichters uit heden en verleden. Verschillende belangrijke verenigingen waaronder de Koninklijke Vereni
Tina Lucas en het verhaal van de Komeetlijn
Een belangrijk thema dat zeker niet mag ontbreken is de Komeetlijn en de rol die het Hasseltse echtpaar Collin daarin speelde. In de Hasseltse Demerstraat is aan een gevel een gedenkplaat bevestigd die herinnert aan Lucien Collin en zijn werk voor het Geheim Leger. Collin maakte, samen met zijn vrouw, onderdeel uit van de Komeetlijn.
Deze Komeetlijn was de ontsnappingsroute waarlangs vele neergestorte geallieerde piloten konden ontsnappen uit bezet gebied. Veel Hasselaren, Limburgers en Belgen waren bij deze geheime operatie betrokken.. Het is ondoenlijk om bij alle verhalen en daden van deze moedige landgenoten stil te staan. Dit verhaal focust zich daarom op de naam op de gedenkplaat: Collin. Wat deed deze man dat zo bijzonder was dat de woorden in de Demerstraat ons er tot op de dag van vandaag aan hem herinneren. Maar ook zijn vrouw Tina Lucas, een overlevende van de concentratiekampen mag zeker niet vergeten worden. Zij zou in dit thema de hoofdrol moeten spelen.
Gregoriaanse muziek in Vlaanderen
Gregoriaans wordt in de katholieke kerk wereldwijd nog (heel af en toe) gezongen. In West-Europa is het de oudste nog gekende muziekvorm, goed gedocumenteerd, maar nu met uitsterven bedreigd. In Vlaanderen komt het gregoriaans binnen samen met de grote bekeerders: van Amandus en Bavo in Gent tot eeuwen later Norbertus in Antwerpen. Door Karel de Grote en Paus Gregorius worden instructies de wereld ingestuurd om het gregoriaans te uniformiseren - niet alleen uit muzikale of religieuze overwegingen, politiek speelde uiteraard altijd mee. In de Vlaamse en Brabantse kloosters en abdijen werden prachtig verluchte werken gekopieerd, waardoor we vandaag nog een behoorlijk goed idee hebben wat en hoe 1000 (!) jaar in Vlaanderen werd gezongen. En alle uniformiteit te spijt, de Gentenaren hadden toch hun eigen gregoriaans: er zijn officiegezangen bewaard, waar het leven van Bavo wordt verteld en de rol die de Fiere Stede daarin speelde.
Zevenjaarlijkse Virga Jessefeesten te Hasselt
De Hasseltse Zevenjaarlijkse Virga Jessefeesten. Eeuwenjong
De waka huia van Victor Spencer (1896-1918)
Multiculturaliteit, pelgrimage als erfgoedpraktijk
Gouden stater van Tielrode
Deze munt illustreert op bijzondere wijze de alliantie van verschillende Keltische stammen tegen de Romeinse agressor Julius Caesar en zijn troepen (thema ‘beladen’ erfgoed).
De eerste mensen in Vlaanderen
De tot nog toe oudste sporen van menselijke aanwezigheid in het gebied dat we tegenwoordig het Vlaamse gewest noemen zijn minstens 400000 jaar, maximaal 500000 (een half miljoen) jaar oud. Het gaat om silex (vuurstenen) werktuigen gemaakt door Heidelbergmensen (Homo heidelbergensis). Heidelbergmensen waren de voorouders van zowel de neanderthaler (Homo neanderthalensis) als van de moderne mens (Homo sapiens). De Heidelbergmens was 700000 à 500000 jaar geleden de eerste mensensoort die Europa ten noorden van de Alpen en de Pyreneeën koloniseerde. Het is dus mogelijk dat er in de Vlaamse ondergrond nog oudere resten op ontdekking wachten. In onze gewesten bevinden archeologische sites uit die tijd zich immers zeer diep onder de grond. Dat komt omdat ze tijdens de ijstijden begraven zijn onder metersdikke zand- of leemafzettingen. Ze komen daarom slechts bij toeval aan het licht onderin metersdiepe zand- of leemgroeves. Tussen 300000 en 200000 jaar geleden evolueerden de Heidelbergmensen ongeveer gelijktijdig in Europa tot neanderthalers en in Afrika tot moderne mensen.