Schittert jouw verhaal straks in het virtueel museum?
Schittert jouw verhaal straks in het virtueel museum?
Op 12 maart 2024 lanceerden we FAAM, het virtuele museum van Vlaanderen, met verhalen die voortbouwden op voorstellen van vele erfgoedcollega's. Wil je jouw cultureel erfgoed laten schitteren in het museum? Bezorg ons dan jouw voorstel via het formulier hieronder.
Deze verhalen werden reeds ingediend
Een unieke inkijk in een 18de-eeuws hospitaal
Het Sint-Janshospitaal in Brugge is één van de oudst bewaarde hospitaalgebouwen van Europa. De oude hospitaalzalen, de kapel, het zuster- en broederklooster, de historische apotheek ademen gewoonweg geschiedenis en de (kunst)voorwerpen die er worden bewaard en getoond, zijn specifiek gemaakt voor deze context. Ze getuigen van acht eeuwen zorg voor lichaam en ziel op deze plek. Het schilderij 'Zicht in de ziekenzalen' (1778) van Jan Beerblock biedt een unieke kijk in het vroegere hospitaalleven.
Fierteltraditie in Ronse
Immaterieel Erfgoed in Vlaanderen: de traditie van religieuze ommegangen/bedevaarten in Vlaanderen.
Handboekbinden en restauratie van papier en boekwerken
Het handboekbinden en de herstelling en restauratie van papier en boekwerken op kleine schaal voor het grote publiek.
Kunstwerkstede De Coene, een van de belangrijkste houtverwerkende bedrijven van België
Het thema creatief design en productontwikkeling voert ons terug tot de middeleeuwse ambachten en is van belang voor heel de beeldvorming van Vlaanderen door de eeuwen heen.
De lege stoelen
Verbinding met eigentijds thema: de oorlogen die vandaag nog uitgevochten worden waaronder sommige met enkele parallellen met WOI
Emile Claus en “Bietenoogst”
Emile Claus algemeen erkend als belangrijkste impressionist in Vlaanderen - “Bietenoogst” (1890), opgenomen op de Topstukkenlijst en erkend als één van de 10 belangrijkste kunstwerken in Vlaanderen. - 2024 uitgeroepen als Emile Clausjaar. - Emile Claus als Vlaamse Meester (cf. goedgekeurd dossier relance-project Vlaamse Meester door Toerisme Vlaanderen)
De engel van "Passchendaele"
De Slag bij Passendale (1917) is een synoniem voor de ergste ontberingen van de Eerste Wereldoorlog, maar ook voor de waanzin en zinloosheid van vele gevechten. In honderd dagen werden naar schatting 600.000 soldaten gewond, gedood of vermist. Het resultaat was een frontlijn die zich slechts enkele kilometers verplaatste. Tijdens en na de oorlog verspreidde het woord "Passchendaele" en zijn beladen connotatie zich over de hele wereld.
De intrede van kiesexamens in het laat 19de-eeuwse Vlaanderen
"Het welgelukken van het examen, welk U het Kiesrecht toekent". De intrede van kiesexamens in het laat 19de-eeuwse Vlaanderen.
Franse klassen in Antwerpse scholen
Het fenomeen van de transmutatieklassen in Vlaanderen. Het systeem vindt zijn oorsprong in Brussel aan het einde van de 19de eeuw om de tweetaligheid bij leerlingen te bevorderen. Meer dan dertig jaar later wordt het systeem opnieuw geïntroduceerd in Vlaanderen om leerlingen Nederlands aan te leren.
De Onze Lieve Vrouw van Gratie, een Italiaans mirakelicoon in Herentals
Het internationale karakter dat de Nederlanden reeds vanaf de vroege middeleeuwen tentoon spreiden.
Tina Lucas en het verhaal van de Komeetlijn
Een belangrijk thema dat zeker niet mag ontbreken is de Komeetlijn en de rol die het Hasseltse echtpaar Collin daarin speelde. In de Hasseltse Demerstraat is aan een gevel een gedenkplaat bevestigd die herinnert aan Lucien Collin en zijn werk voor het Geheim Leger. Collin maakte, samen met zijn vrouw, onderdeel uit van de Komeetlijn.
Deze Komeetlijn was de ontsnappingsroute waarlangs vele neergestorte geallieerde piloten konden ontsnappen uit bezet gebied. Veel Hasselaren, Limburgers en Belgen waren bij deze geheime operatie betrokken.. Het is ondoenlijk om bij alle verhalen en daden van deze moedige landgenoten stil te staan. Dit verhaal focust zich daarom op de naam op de gedenkplaat: Collin. Wat deed deze man dat zo bijzonder was dat de woorden in de Demerstraat ons er tot op de dag van vandaag aan hem herinneren. Maar ook zijn vrouw Tina Lucas, een overlevende van de concentratiekampen mag zeker niet vergeten worden. Zij zou in dit thema de hoofdrol moeten spelen.
Antonia Engelen, vrome vrouw, begijn
Begijnen zijn vrouwen die sinds de 13de eeuw een gemeenschap vormen waarin ze zelfbewust samenleven. In hun zoektocht naar een veilige geaccepteerde woonvorm en een manier om hun vrouwelijke spiritualiteit te beleven ontstaan de begijnhoven. Ze bloeien vooral in de Lage Landen. Vandaag vormen deze plekken nog steeds eilandjes in het stedelijke weefsel die getuigen van de fascinerende traditie van de begijnen.
Naar Iseland, naar Iseland, naar Iseland toe… Onze Vlaamse IJslandvaarders
Stel je voor dat je op het einde van de winter, in maart, met een zeilboot vertrekt richting IJsland om er te vissen. In barre omstandigheden, want stormweer en ijsschotsen maken de reis tot een levensgevaarlijke expeditie. Alsof dat niet volstaat, kom je pas binnen een half jaar terug thuis, als de herfst alweer in het land is. Of nog erger: je ziet je vaderland nooit meer terug en blijft achter in de ijzige wateren rond IJsland. Het lijkt nu misschien onvoorstelbaar, maar voor generaties vissers langs de Westkust was het jarenlang bittere realiteit. Vooraleer de stoomschepen hun intrede deden aan het einde van de negentiende eeuw, trotseerden ze al eeuwen de IJslandse golven aan boord van grote zeilschepen. In de Noord-Franse havens van Gravelines en Duinkerke scheepten ze in op zogenaamde goélettes (of galetten in vervlaamste vorm). De Vlamingen stonden er bekend als harde en ervaren werkers. Tot aan het begin van de twintigste eeuw trokken jaarlijks tussen 100 en 200 Vlaamse vissers zo naar IJsland om hun geluk te beproeven. De kabeljauwcampagne rond IJsland besloeg zes maanden. De reis naar IJsland zelf, de traverse, duurde twee à drie weken afhankelijk van de weersomstandigheden. Het vissen op kabeljauw gebeurde met lang kollijnen die onderaan voorzien waren van een stuk lood en een vishaak. De vangst werd op een heel specifieke manier bewerkt, gezouten en luchtledig verpakt in tonnen: de visserij ten zoute. Na drie maanden van zwaar werk in gure omstandigheden, kregen de vissers een weekje rust. De galette zocht eind mei een IJslandse baai op om er vers drinkwater in te slaan en herstellingen uit te voeren. Na dat ‘baaien’ volgde het achterseizoen, dat duurde tot de kabeljauw niet meer bewaard kon worden omdat het zout op was. Na 6 maanden kon dan toch de retourtraverse ingezet worden. Eindelijk terug huiswaarts.
Jeneverstoker in Hasselt vindt vaccin tegen runderpest uit
Midden 19de eeuw telt Hasselt één betekenisvolle industrie die het merendeel van de Hasseltse bevolking tewerkstelt: de jeneverindustrie. In ca. 25 jeneverstokerijen in de kleine binnenstad worden jaarlijks ruim 7.000 ossen vetgemest met de draf: het voedzame restproduct van de jeneverproductie. Jaarlijks brengen de Hasseltse stokers de ossen op de markt, die zo een enorm belangrijke extra bron van inkomsten waren voor de stokers. In 1836 brak helaas voor het eerst de 'veepest’ uit in Hasselt, een catastrofe voor de stokers én de inwoners van Hasselt. Deze epidemie trof toen ook het vee van de vader van de Hasseltse dr. Louis Willems die jeneverstoker was. In 1852 introduceert dr. Willems een procedé van actieve inenting die een plaatselijke infectie veroorzaakt waardoor het dier beschermd wordt tegen de natuurlijke ziekte. De "uitvinding" van dr. Willems vindt al vlug internationale erkenning in Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland. Belgische erkenning komt er pas in 1865.
De personenverhalen van het In Flanders Fields Museum
De grote en de kleine geschiedenis van mensen die in de Eerste Wereldoorlog leefden, overleefden, op de vlucht sloegen en soms ook stierven
Een ‘Pompei’ aan de Schelde
Water en de mens, een ambigue relatie bondgenoot als een vijand voor de mens geweest. Dit bewijst de verdronken middeleeuwse nederzetting nabij Doel die door de Sint-Elisabethsvloed van 1324 van de kaart werd geveegd. De strijd tussen mens en water proberen we in dit geval te vertellen in een verhaal over de onzekere middeleeuwse expansie van dorpskernen. Verder willen we de focus leggen op de strijd van de mens tegen de natuur, een strijd die met de opwarming van de aarde terug zeer actueel is.
De eerste landbouwers in Vlaanderen
Rond 5300 v. Chr. arriveerden de eerste landbouwers in het gebied dat we tegenwoordig kennen als het Vlaamse gewest. In de voorafgaande 500000 jaar leefden er in deze regio uitsluitend nomadische jagers-verzamelaars. Omstreeks 9000 v. Chr. begon men in het Nabije Oosten evenwel aan landbouw te doen. Rond 7000 v. Chr. was ook Oost-Europa op landbouw overgeschakeld. Door zelf voedsel te verbouwen hoeven landbouwers niet rond te trekken op zoek naar voedsel en kunnen ze zich dus ergens permanent vestigen. Landbouwgemeenschappen kennen een grotere bevolkingsaangroei dan jagers-verzamelaarsgroepen. Wanneer de bevolking van een nederzetting te groot werd, trok een deel verder om elders een nieuwe nederzetting te bouwen. Ze namen dan ook zaden, gedomesticeerde dieren en hun kennis over landbouwtechnieken met zich mee. Geleidelijk aan verspreidde de landbouw zich zo van Zuidoost-Europa over Centraal-Europa naar onze streken. In Centraal-Europa en bij ons behoorden deze eerste landbouwers tot de zogenaamde Bandkeramische cultuur. Hun aardewerk, dat ze versierden met bandvormige motieven, was ook het eerste aardewerk in onze streken.
Dierenschilders in de context van een nijvere burgerlijke stad
De Kortrijkse dierenschilders
Gregoriaanse muziek in Vlaanderen
Gregoriaans wordt in de katholieke kerk wereldwijd nog (heel af en toe) gezongen. In West-Europa is het de oudste nog gekende muziekvorm, goed gedocumenteerd, maar nu met uitsterven bedreigd. In Vlaanderen komt het gregoriaans binnen samen met de grote bekeerders: van Amandus en Bavo in Gent tot eeuwen later Norbertus in Antwerpen. Door Karel de Grote en Paus Gregorius worden instructies de wereld ingestuurd om het gregoriaans te uniformiseren - niet alleen uit muzikale of religieuze overwegingen, politiek speelde uiteraard altijd mee. In de Vlaamse en Brabantse kloosters en abdijen werden prachtig verluchte werken gekopieerd, waardoor we vandaag nog een behoorlijk goed idee hebben wat en hoe 1000 (!) jaar in Vlaanderen werd gezongen. En alle uniformiteit te spijt, de Gentenaren hadden toch hun eigen gregoriaans: er zijn officiegezangen bewaard, waar het leven van Bavo wordt verteld en de rol die de Fiere Stede daarin speelde.